Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) veranderde sterk doorheen de voorbije zes decennia: de maatschappij veranderde, de Europese Unie breidde uit, en ecologisch beheer werd belangrijker. 

 

Het doel van het GLB, sinds 1957

De oorspronkelijke doelstelling, die sinds 1957 in art. 33-39 van het Verdrag van Rome (over de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap) staat, veranderde echter nooit: 

  • De productiviteit van de landbouw doen toenemen door de technische vooruitgang te bevorderen en door zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie als een optimaal gebruik van de productiefactoren, met name arbeidskrachten, te verzekeren.
  • De landbouwbevolking een redelijke levensstandaard verzekeren, door een verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn.
  • De landbouwmarkten stabiliseren.
  • De voorziening van voedsel veilig stellen.
  • Redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers verzekeren.

Vandaag, 60 jaar later, betekent dat in praktijk dat het GLB regels en impulsen moet creëren voor productiemethoden, innovatie, milieubeheer, dierenwelzijn, voedselveiligheid en -kwaliteit, concurrentievermogen, plattelandsontwikkeling, werkgelegenheid ... 

Onder impuls van de Wereldhandelsorganisatie, die de handelsregels op wereldniveau vastlegt, was er een belangrijke verandering in de jaren `90: van prijsondersteuning voor producten (die overschotten kan creëren) naar inkomensondersteuning van landbouwers. Behalve in enkele uitzonderlijke gevallen, krijgen landbouwers nu premies die ontkoppeld zijn van hoeveel hij produceert. En die wel gekoppeld worden aan voorwaarden op vlak van milieu, dierenwelzijn en voedselveiligheid, opdat landbouwers ecologisch en sociaal duurzamer aan de slag gaan. De bedoeling was om zo landbouwers sneller te laten inspelen op marktveranderingen. 

Sinds 2000 bestaat het GLB uit twee pijlers:

Pijler 1

  • GMO: Gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten

    Bv. vrijwillige productiebeperking, vereniging van producenten, schoolfruit en -melk

  • Rechtstreekse betalingen aan landbouwers

    Bv. basisbetaling per hectare, vergroeningspremie, top-up, zoogkoeienpremie

Pijler 2

  • Plattelandsontwikkeling

    Dit beleid heeft als doel om het platteland, in de brede zin van het woord, te ondersteunen en te helpen ontplooien. 

 

Vlaamse overheid ondersteunt mee 

Op twee manieren werkt de Vlaamse overheid het Europese GLB verder uit. 

In pijler 1:

Om rechtstreekse betalingen als land- of tuinbouwer te kunnen ontvangen, moet je voldoen aan de specifieke Vlaamse regels, afgeleid van de Europese richtlijnen: bv. rond mest, bodemerosie, dierenwelzijn, gewasbescherming … 

In pijler 2:

Hier is er het Vlaams Programma voor Plattelandsontwikkeling (PDPO). Daarin staat meer over concrete steun voor overnames, innovatie, opleiding, marktweerbaarheid, duurzaamheid, welzijn en vitaliteit ...

 

Voordelen voor jonge landbouwers

Voor jonge land- en tuinbouwers zitten er specifieke voordelen in het Europese en Vlaamse Gemeenschappelijke Landbouwbeleid.

  • Binnen het GLB bestaat een premie ‘jonge landbouwer’, voor jonge landbouwers die nood hebben aan kapitaal om een bedrijf te starten. Tot de leeftijd van 35 jaar kan je 5 jaar extra steun aanvragen (met een top-up die jaarlijks wordt vastgelegd) op elk geactiveerd betalingsrecht (tot maximum 90 ha). Meer hierover vind je hier.
  • Jonge landbouwers (jonger dan 40) kunnen eenmalig bij een overname steun van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) krijgen. Meer hierover hier. 
  • Wanneer je een VLIF-steunaanvraag indient, krijg je een score. Jonge landbouwers krijgen in dit systeem extra punten. Meer hierover hier.