Een traject dat niet stopt

Voor we ons verdiepten, hielden we een korte terugblik op het project. Waar wil iedereen nog verder op inzetten? Wat zijn gaten in onze kennis en waar willen we samen verder over uitwisselen? Er kwamen verscheidene thema’s aan bod, allemaal gelinkt aan een holistisch beeld van wat niet-kerende bodembewerking inhoudt - naast stoppen met ploegen.

Er is interesse om meer bij te leren over

  1. Onderzaai en estafetteteelt via doorzaai,
  2. Verschillende bemestingsstrategieën,
  3. De benodigde (of overbodige) grondbewerkingen in het voorjaar,
  4. Bodemanalyses en mogelijke correcties,
  5. Het vernietigen van groenbemesters (GBM) en oppervlakkig inwerken van organisch materiaal,
  6. Het bodemleven in het algemeen.

Het toont dat het bijleren over een levende bodem geen proces is van één jaar of enkele bijeenkomsten. Het is een continu leertraject, waarin uitwisseling met elkaar, advies van onafhankelijke experts en experimenteren hand in hand gaan.

Het bedrijf van familie Magnus

We doen graag extern inspiratie op, dus bezoeken deze keer geen boerderij van iemand uit het lerend netwerk, maar wel van de familie Magnus.

Sam Magnus, 5e generatie op het erf, leidt ons rond. Wat ooit begon als een standaard akkerbouwbedrijf met witloof, is over de jaren heen (o.i.v. een 'goede' crisis) geëvolueerd tot een bedrijf gespecialiseerd in de miniwitloofteelt. De witloofwortels worden zelf geteeld, naast aardappelen, eigen hoevepootgoed van aardappelen en zoete aardappelen. Elke teelt heeft goede en slechte jaren, wat aanleiding geeft tot experimenteren en het zoeken van andere afzetkanalen naast supermarkten.

Niet-kerende grondbewerking

Sam en het team zetten grote stappen in bodemregeneratief boeren. Tijdens de teeltjaren van grootvader Magnus daalde de bodem organische koolstof tot onder de 1%. Aangezien witloof moeilijk kiemt en de juiste vochtomstandigheden nodig heeft, bleek niet-kerend werken een goede stap is om de bodem in een betere conditie te krijgen voor de kieming (en voor de vele andere voordelen die erbij horen). Na veel opzoekwerk kwam Sam de Landbouwadviseur Stefan Muijtjens tegen, die hem verder op het pad van niet-kerende grondbewerking begeleidde.

Wat begon met meer stalmest en compost, leidt nu tot de eigen grond in ploegloos beheer sinds 2017. De laatste vijf jaar werden ook geen gehuurde percelen geploegd. Daarnaast werken ze op het bedrijf met wintervaste groenbemesters (GBM), houden ze de bodem altijd groen door het direct zaaien van een GBM of volgende teelt, werken ze met complexe mengsels GBM van verschillende families om het bodemleven op verschillende manieren te stimuleren en gebruiken ze (meng)teelten van vlinderbloemigen. Verder experimenteren ze met doorzaai en het inbrengen van dieren in de rotatie (zoals schapenbegrazing van de GBM). Ook hebben ze hun kunstmestgebruik sterk verminderd, het insecticidegebruik gestopt bij tarwe en bij andere gewassen bijna tot nul gebracht, het fungicidegebruik afgebouwd en werken ze niet-kerend zonder het gebruik van RoundUp.

Zelf gebruikt Sam geen gecoat zaad meer, onder meer omwille van de gezondheidsrisico’s voor de boer. Hij legt de nadruk op het belang van onafhankelijk advies: "Fyto-adviseurs (ook al zijn het waarschijnlijk fantastische mensen) hangen vast aan verkoopverplichtingen en hebben gemengde belangen. Probeer je dus te omringen met onafhankelijke adviseurs en wees bereid ervoor te betalen. Dat zijn goede investeringen die zich dubbel en dik terugverdienen in gereduceerde kosten en een beter bodemleven."

Groenbemesters en rotatie

Op dit moment zweeft de rotatie tussen 1/4 en 1/5 van aardappel, tarwe, witloof en opnieuw tarwe. Af en toe worden er zoete aardappels en het fauna-mengsel tussen geteeld, en dit jaar staan er ook veldbonen, triticale-erwten, baktarwe en nog meer op het veld. Het ideale is een volledige 1/5 rotatie met nog meer rustgewassen. Groenbemesters worden als een volwaardige teelt gezien op het bedrijf. De wintervaste GBM staan zo lang mogelijk op het veld om maximaal bodemleven te activeren (soms tot eind april). Als de biomassa groot wordt, wordt de GBM nog eens geklepeld en met de biofrees oppervlakkig afgeschoffeld.

GBM die wel afgevroren zijn, worden eind maart geklepeld indien nodig en ingewerkt met de schoffelbreker. Daarna zorgt een vals zaaibed voor de onkruidvermindering en kort daarna worden de ruggen aangelegd. Zo gaan ze op 5 dagen tijd van GBM tot teelt. Je kan een vals zaaibed gebruiken voor het inzaaien van de GBM en eventueel om mechanisch onkruid te bestrijden, om onkruiddruk in de GBM te verminderen.

Oplossingsgericht denken en werken

Sam ziet hun methode van werken als iets dat sterk aansluit bij de identiteit van het bedrijf en hoe ze landbouw bekijken. Daarmee wil hij niemand verplichten om op dezelfde manier te boeren, maar wil hij wel de voordelen ervan tonen. Regeneratief en agro-ecologisch boeren is iets dat ze doen omdat het hen helpt. De trigger is dus niet uit economische noodzaak, maar omdat ze zien dat het de oplossingen brengt voor de problemen die er zijn. Dankzij goed bodembeheer loopt de witloofkieming bijvoorbeeld vlotter. Sam spoort dus aan om positief te denken: laten we denken in oplossingen, niet in problemen.

Een voorbeeld

Een voorbeeld is de opkomende uitdaging in de streek van de knolcyperus. De familie Magnus experimenteert met verschillende methodes om de druk onder controle te houden, van handmatig uitgraven tot het inzetten van varkens.

Samenwerking

Sam wijst ook op het belang van bedrijfshygiëne en een sterke discipline in het reinigen van machines, eerder preventief dan curatief. Ook de solidariteit onder landbouwers is hier erg belangrijk. Het is een zwaard dat boven het hoofd van de sector hangt, en moet dus ook collectief erkend en aangepakt worden. Boeren uit de streek moeten zoveel mogelijk samenwerken, machines kuisen en eerlijk zijn tegenover elkaar. Ieder moet verantwoordelijkheid opnemen en de gevolgen voor elkaar erkennen, want het is een gedeelde uitdaging. Die uitdaging reikt dus ook de kans om meer samen te werken, wat een positief verhaal kan worden.

Een voorbeeld

Een ander voorbeeld komt later aan bod. Sam wijst op een perceel waar er 5 jaar geleden veel ritnaalden waren. Dankzij groenbemesters en korte braakperiodes is er nu geen probleem meer, zonder insecticiden te gebruiken. Je kan je akkers best schoon houden door de toepassing van een vals zaaibed met de 3-4-5 methode (3 keer bewerken, 4 cm diep, op de 5e dag herhalen). Het verminderen van pesticide- en herbicidegebruik is een toekomst- en oplossingsgerichte aanpak. Het aantal toegelaten producten zal sowieso verminderen, dus is het een goede zaak om nu al te experimenteren met verschillende teelttechnieken.

Bodembiologie en groenbemesters

De leidraad is zoals altijd het kweken van een gezonde bodembiologie. En de taak van de boer is om daar de best mogelijke omstandigheden voor te voorzien. Zeker bij het werken met GBM is een levende bodem belangrijk voor de vlotte afbraak. Zorg er eerst voor dat je bodembiologie in orde is, voor je grote hoeveelheden biomassa wil laten afbreken. Je bouwt ook eerst een stal en voorziet voer (een gezonde bodem), vooraleer je de dieren erin plaatst (de groenbemester).

Als de bodembiologie op orde is, heb je ook minder problemen met bijvoorbeeld bonenvlieg, omdat je materiaal sneller afbreekt. De bonenvlieg kan je uiteraard bestrijden met (goedkope) insecticide, maar als je de kost van het afdoden van ander nuttig leven erbij rekent, is de rekening snel gemaakt, in het voordeel van geen insecticide en beter bodemleven.

Het is duidelijk een 'en-en-verhaal'. Geen enkele maatregel staat op zichzelf, maar is gericht op het verbeteren van het volledige systeem van bodemleven, met aangepaste gewasrotatie en grondbewerking en verminderd pesticide- en herbicidegebruik. Stefan wijst nog op enkele ondertussen gekende tips:

  • Zorg bij je GBM-mengsel van grasklaver dat er voldoende kruidenfamilies tussen zitten.
  • Er zijn twee regels: (1) hou het minerale stikstof laag en (2) het aantal families hoog. Zo bouw je koolstof op.
  • Sam en Stefan raden aan om op het einde van het seizoen, als je nog onervaren bent met GBM, wintergevoelige GBM te gebruiken. Naargelang je bodembiologie beter opbouwt, kan je overschakelen op winterharde GBM die je kan vernietigen in april. Je wil natuurlijk de groei van de GBM in maart-april nog benutten.

Een goede praktijk van Sam: huur je gronden al een herfst op voorhand, zodat je zelf je GBM kan inzaaien om de grond goed voor te bereiden op het volgende teeltseizoen.

Het machinepark

We nemen nog een kijkje bij het machinepark op het bedrijf. Daar hoort uiteraard een witloofrooier bij, die deels zelf is omgebouwd om het gewicht zo laag mogelijk te krijgen om de bodem niet te verdichten. Ook de wiedeg mag niet ontbreken om aan mechanische onkruidbestrijding te doen. Zo kunnen ze zonder chemische onkruidbestrijding baktarwe telen, die ze zelf kunnen verkopen als bakkersbloem. Een hardnekkige mythe wordt zo door de praktijk doorprikt.

Om de ruggen voor de witloof op te bouwen, wil Sam overschakelen van de ruggenfrees op een minder intensieve methode. Met de gieterroller krijgen ze minder gladgestreken ruggen, en ze juichen die korrelige structuur toe als maatregel tegen erosie. Met een aangepaste regenmachine kunnen ze het pas gezaaide witloofzaad oppervlakkig bevochtigen om de kieming te bevorderen. Een schoffel op de ruggen zorgt voor mechanische onkruidbestrijding en hierbij is de gps- en camerasturing cruciaal om te zorgen dat alles volgens de juiste lijn verloopt.

Tot slot kijken ze ook naar heet-water-snijden om in de toekomst uit te proberen in de mechanische onkruidbestrijding.

Bezoek aan de bodemput

Arnout, teeltopvolger bij familie Magnus, was zo vriendelijk een bodemput te graven. Daar staan we nog even bij stil voor we terug vertrekken.

De vraag komt op: "Diepwoelen of niet?"

Als de grond zacht is, doet woelen sowieso weinig. Als de grond hard is, breekt het diepwoelen de ploegzool. Te snel stoppen met woelen kan ervoor zorgen dat de harde laag blijft bestaan, waardoor je zwel en krimp krijgt. De eerste 3-4 jaar na het stoppen met het ploegen is het woelen dus wel aanbevolen. Daarna kan je alleen woelen als je het nodig vindt, maar zorg er dan voor dat je een perceelsbrede blik hebt, en je beslissing niet afstemt op één test met de prikstok.

In de praktijk blijft het vaak nog nodig om te woelen, omdat er in de landbouw met teveel zware machines gewerkt wordt. Als je woelt, rijd dan zeker niet sneller dan 8km/u, anders smeer je de grond verder open. Aansluitend volgt de vraag of je de schimmels niet verstoort met het woelen. het antwoord is 'ja', maar als je grond hard is, dan kunnen de schimmels er toch niet door groeien.

We krijgen nog bezoek van een pendelaar. Een worm die organisch materiaal van bovenop het bodemoppervlak naar beneden trekt. Het opbouwen van de organische koolstof kan dus zeker, en een streefgetal mag 1,5% zijn, zelfs 4-5% in de toplaag. Een teveel aan minerale stikstof leidt tot veel bacteriën en dus veel afbraak en minder opbouw van organisch materiaal.

Dankzij de holistische aanpak van niet-kerend werken, het zoveel mogelijk vermijden van pesticiden en kunstmest, de introductie van GBM, stalmest, compost en alle andere experimenten, zijn ze er op het bedrijf van familie Magnus de 10 laatste jaren in geslaagd het bodemorganische koolstofgehalte terug op te krikken van 1% naar 1,5%, ondanks intensieve witloofteelt. Aanvoer van houtig materiaal in de bodem kan trouwens ook met strostoppel, houtsnippers of door het langer laten rijpen van de GBM.

Tot slot is je bodem beste adviseur. Bekijk je bodem in natuurlijke omstandigheden, op plaatsen waar geen zware machines komen. Die natuurlijke situatie kan je gidsen om je bodem zo goed mogelijk te beheren.