Voor de vierde bijeenkomst van het lerend netwerk 'Jonge boeren, levende grond', kwamen we samen bij Bert Defruyt aan het Spaarbekken in Nieuwpoort. Omdat de wintermaanden wat meer rust en dus ruimte geven, namen we iets meer tijd om ons theoretisch te verdiepen en uit te wisselen. Daarvoor kregen we de expertise van Koen Willekens (ILVO) en Stefan Muijtjens (Landbouwadviseur), beiden partners in het project. Na deze verdieping in de voormiddag, toonde Bert ons zijn vele experimenten op zijn percelen en bezochten we de machineloods op de boerderij.

Koen Willekens over stofwisseling, N-huishouding en bodembiologie

Het is duidelijk, een levende bodem voedt de plant en de plant voedt het bodemleven. De bodem is een levend geheel en hoort te ademen. Daar zorgen verschillende organismen voor:

  1. Afbraakorganismen die vers organisch materiaal omzetten tot organische stof en minerale elementen in de bodem (te vergelijken met het proces van compostering).
  2. Symbiotische organismen die samenwerken met de plant om voedingstoffen vrij te stellen uit de organische stof en uit mineralen in de bodem.

Je verkrijgt een goede stofwisseling in de bodem door het bodemleven zo goed mogelijk te stimuleren en er ideale leefomstandigheden voor te creëren. Koen enkele handige tips:

  • Doe aan gereduceerde of niet-kerende grondbewerking;
  • Zorg voor ligninerijke (= houtige) gewasresten met de teelt van graan en groenbedekkers;
  • Pas stromest en/of compost verstandig toe;
  • Bouw je kunstmestgebruik af;
  • Weet dat de afbraak en omvorming van vers organisch materiaal in de toplaag van de bodem gebeurt.

Moet je inzetten op microbiële inoculanten? is een veelgestelde vraag. het antwoord luidt als volgt: focus vooral eerst op goede, complexe groenbedekkers en organische bemesting.

Er zijn 3 verschillende bronnen waaruit planten voeding kunnen halen:

  1. Minerale elementen in ionenvorm (zouten),
  2. Vrijstelling van die elementen bij afbraak van vers organisch materiaal (afbraak) en
  3. Vrijstelling van die elementen uit bodem-organische stof bij symbiose tussen de plant en micro-organismen in de wortelomgeving (symbiose).

De zouten geven een actuele beschikbaarheid weer, terwijl afbraak en symbiose een potentiële beschikbaarheid weergeven. De bron waaruit de planten hun voedingsstoffen putten is perceelafhankelijk, tijdsafhankelijk en staat in relatie met de bodemkwaliteit en voorgaand bodembeheer. Verse gewassen en onverteerde mest bieden tijdelijk potentieel qua afbraak. Na vertering met vorming van bodem-organische stof bieden ze potentieel qua symbiose. In een braakperiode is er een sterke mineralisatie en stijgen de zouten.

Nitraatstikstofresidu’s beperken doe je door je bemestingsstrategie zo goed mogelijk op punt te stellen. Daarvoor is het belangrijk dat je de onderliggende stofwisselingsprocessen goed begrijpt. Het helpt om op het juiste moment staalname ter bepaling van minerale stikstof (N) uit te voeren. Dat doe je best in de eerste helft van het groeiseizoen bij een jong gewas dat de bodem nog maar beperkt doorworteld heeft. Onder een meer ontwikkeld gewas dat de bodem reeds sterk doorworteld heeft, meet je lagere gehalten aan minerale N. Dat komt niet alleen doordat de plant zich er al meer van voorzien heeft, maar ook omdat het bodemleven waarmee het gewas in symbiose gaat zich tegoed doet aan minerale N. Een minerale stikstofbepaling in de tweede helft van het groeiseizoen onderschat dus de N-beschikbaarheid voor het gewas. Een minerale stikstofbepaling in de eerste helft geeft weerspiegelt het mineralisatiepotentieel van de bodem en de eventuele nood aan een bijbemesting. Zo kan je kosten aan bemesting besparen, en je bodem is je dankbaar!

Ook leerden we dat je een koolstofrijke basisbemesting (jonge compost, stalmest rijk aan stro, houtsnippers) best in het najaar toepast en oppervlakkig inwerkt voor het inzaaien van de groenbemester. Zo krijgt dat organisch materiaal de tijd om te verteren en voedt het de planten in het voorjaar. Kan je door omstandigheden je stalmest toch alleen in het voorjaar opvoeren, gebruik dan meer verteerde mest. Drijfmest is een gepaste vorm van voorjaarsbemesting en ook op strostoppel in de zomer.

Verder gaf Koen extra tips bij het interpreteren van chemische analyses. De analyses van organische koolstof (OC) en de zuurtegraad (pH-KCl) zijn welbekend. Het is ook nuttig om te kijken naar de verhoudingen tussen K, Mg en  Ca (de basen gebonden aan het kleihumuscomplex). Een hoog aandeel Ca is gunstig voor de grove porositeit, belangrijk voor beluchting en drainage. Een overmaat Mg leidt tot een meer slempgevoelige bodem. Bij het bekalken om de zuurtegraad te corrigeren, moet je dus aandacht hebben voor het Mg-gehalte van de kalkmeststof, om goede verhouding tussen Ca en Mg in de bodem te behouden. Als je stopt met ploegen waardoor bovengrondse gewasresten vlotjes ter hoogte van het bodemoppervlak verteren, voorkom je verzuring, wat je op zijn beurt voorkomt door het gebruik van snelwerkende bemestingvormen te beperken en bodemverdichting te voorkomen.

Stefan Muijtjens over mechanische onkruidbestrijding

Voor we verdiepen in de mechanische onkruidbestrijding, voegt Stefan nog enkele zaken toe aan het betoog van Koen.

  1. Heb je een aaltjesprobleem? Dan heb je vooral te weinig diversiteit aan nuttige aaltjes. Meer omnivore en predatore aaltjes kunnen de plantparasitaire nematoden in toom houden. Een richtcijfer: met een totaal aantal aaltjes van boven de 8000 per 100ml ben je in een laag risicogebied, en houdt de bodem zichzelf in balans.
  2. Is het oké om hoofdteelten in je groenbemester te gebruiken? Probeer met groenbemesters vooral gaten op te vullen van soorten die je niet in je hoofdteeltrotatie hebt. Je volledige teeltrotatie kan je zien als een voetbalploeg: je stelt niet alleen 5 spitsen en 6 keepers op, maar je wil een volledig functioneel team. Zo is het goed om bij fijne groententeelt wat extra houtig materiaal via groenbemesters toe te voegen. En bij je groenbemesterteelt zet je best geen soorten waar je eigenlijk geld mee verdient, want dan kom je in een risicozone rond ziektes en plagen. Wel kan het steek houden om je bodembiologie wat voor te bereiden op je hoofdteelt.

De bodembiologie is zo complex en die proberen we halsstarrig te begrijpen en controleren. Daarom gebruiken we pesticiden en kunstmest om onvoorspelbare factoren als plagen in de hand te houden. We merken dat dit op lange termijn nefast is voor de bodem: het doodt leven, verstoort de communicatie tussen het leven en de plant … Via niet-kerende grondbewerking, organische bemesting en mechanische onkruidbestrijding willen we terug leven in de brouwerij krijgen. Maar, ook in de biologische landbouw proberen we vaak dingen te controleren. Je laat de complexiteit van de biologie beter over aan de bodem zelf, en het beste wat je kan doen is het stimuleren van dat bodemleven via groenbemesters en NKG. Dat is echt regeneratief: het terug opbouwen en actief maken van de levende bodem.

Voor mechanische onkruidbestrijding deelt Stefan een gouden vuistregel voor het aanleggen van een vals zaaibed: de 3-4-5 methode. 3 keer bewerken, maximaal 4 centimeter diep, en op de 5e dag herhalen. Als je dit toepast voor het zaaien van een groenbemester, is die ook onkruidvrij. Voor je hoofdteelt kan je dit ook perfect toepassen bij bieten of aardappelen bijvoorbeeld. De bewerking kan met een triltand of veertand. (Wied)eggen kan ook, als je de eerste bewerking met een mulchfrees doet. Een nadeel van de 3-4-5 methode zijn dat je braakperiode iets langer duurt (al is het maar 10 dagen), en er dus meer mineralisatie is. Je gebruikt ook extra brandstof en arbeidstijd, maar je bespaart wel op kosten van herbicide, wat je bodemleven en dus je hoofdteelt weer ten goede komt. Nog beter is estafetteteelt via het onderzaaien van je groenbemester in je hoofdteelt, zodat je nooit een braakliggend stuk krijgt.

Ook het verbeteren van je bodemvochtbalans helpt om je onkruiden in toom te houden. Onkruiden als distels wijzen op een systeemfout, en die neem je het best aan door in te zetten op complexe groenbemesters en te diepgronden. Distels groeien dankzij uitspoeling van je mest. Wil je van je distels af, zorg er dan voor dat je geen uitspoeling meer hebt, bijvoorbeeld door het inzaaien van grasklaver. Je nitraatgehalte afstemmen op je plantbehoeftes zal daar ook bij helpen.

Stefan geeft ook aan dat mechanische onkruidbestrijding moeilijk is zonder gps. Je moet namelijk ook inzetten op rechte lijnen, zowel bij het voorbereiden van het zaaibed als bij het zaaien of planten zelf.

Andere zaaitips:

  • Zorg voor een kruimelig zaaibed met verschillende heterogene korrelgroottes met een hoog humusgehalte in de toplaag (10%OS of 5%OC).
  • Als je vooropkomst wil wiedeggen, zorg er dan voor dat je minimaal 20 mm diep zaait.
  • Optimaliseer je zaaitechniek bij het (wied)eggen van granen in plaats van extra zaaizaad te gebruiken.
  • Wiedeggen doe je direct na de zaai (20 - 25 mm diep), bij gezwollen zaden (15 mm diep) en dan herhalen wanneer (1) het blad uit is, (2) na één week, (3) nog twee keer na telkens 7 - 10 dagen.
  • In het begin kan je je tanden meer slepend instellen, wanneer je planten beter geworteld zijn kan je ze onder een iets scherpere hoek plaatsen om het onkruid goed weg te krijgen.

Veldexperimenten van Bert Defruyt

Tijdens de lunch kregen we via enkele foto’s een inkijk in Bert zijn vele experimenten op het veld, maar in de namiddag konden we genieten van zijn percelen in het echt. Een toertje op enkele percelen en dat van de buurman toonde de verschillen tussen ploegloos en ploegen, tussen oudland en nieuwland. In zijn loods konden we meekijken naar zijn assortiment machines. Bert experimenteert sinds 2020 al met NKG. Dit begon eerder door het toeval, aangezien hij door overmacht niet heeft kunnen ploegen. Na de winter lag dat ene perceel er veel beter bij, dus heeft hij zijn experimenten geleidelijk aan uitgebreid. Groenbemesters met schapenbegrazing, onderzaai van klaver, NKG op zware poldergrond, complexe groenbemesters, striptill directzaai, mechanische onkruidbestrijding bij tarwe, mengteelten van veldboon en triticale, mestverbetering … noem maar op! Wat je vooral moet onthouden is dat het een kwestie van durven is (en soms ook de oudere generatie overtuigen) en blijven leren, ook van wat fout loopt. Een lerend netwerk als dit is dan ook de uitgelezen kans om successen, maar ook gefaalde experimenten met elkaar te delen.

    Bert werkt heel graag met de Claydon Opti-till voor het zaaien en de Claydon Terrastar voor de grondbewerking. De Opti-till is een leuke hybridemachine met oneindige mogelijkheden voor het zaaien, ook van mengteelten. Dankzij een breed arsenaal aan verschillende tanden zijn er veel mogelijkheden, en moet je minder woelen. De Terrastar is perfect om bedden in de zware kleigrond zaaiklaar te leggen in het voorjaar, of na de teelt voor de groenbemester. Ook de Claydon schoffel en strorakel worden bij Bert goed gebruikt.

      Tot slot nog enkele tips voor op poldergrond:

      • Wanneer nieuwland in gebruik wordt genomen, is het organisch koolstofgehalte gehalte hoog. Bij intensief gebruik daalt dit snel, en is het dus zaaks om dat percentage hoog te houden.
      • Opnieuw zijn NKG, groenbemesters en organische bemesting goede praktijken. En zelfs bloemkolen kan je telen zonder ploegen, door ze te klepelen na de oogst en bijvoorbeeld met de mulchfrees in te werken.
      • Wil je veel regenwormen, en verschillende soorten zoals pendelaars? Laat dan wat organisch materiaal op het oppervlak liggen, zodat de regenwormen zelf aan het werk gaan. Als je hun leefomgeving stimuleert, dan komen ze vanzelf.