Sinds een klein jaar is Hendrik voorzitter van de werkgroep vleesvee/kalveren. En eerlijk: we kunnen ons geen betere toewensen. Benieuwd naar deze persoon? Over enkele minuten weet je alles over hem…
GK: Voor alle Groene Kringers die nog niet van jou hebben gehoord: stel je even kort voor.
Hendrik: “Ik ben Hendrik Verhaert, 26 jaar oud. Samen met mijn vrouw Ann woon ik in Kallo, een Oost-Vlaams polderdorp ingesloten door het industriegebied van de Antwerpse haven. Ik ben voltijds werkzaam bij Agri-Tech, een groothandel in land- en tuinbouwproducten. De verkoop van zaaizaden en gewasbeschermingsmiddelen met de bijhorende teeltbegeleiding, is mijn voornaamste bezigheid. Mijn werkgebied ligt net over de Nederlandse grens, op Zeeuws-Vlaanderen. Ook Ann is werkzaam in de landbouwsector. Zij is adjunct verantwoordelijke voor IKM.”
GK: Hoe ben je bij Groene Kring terechtgekomen?
Hendrik: “Tijdens mijn graduaatstudies aan de KHK Geel was er via onze studentenvereniging AGRO een afdeling Groene Kring. Tinne Rombouts was toen onze vrijgestelde. Op die manier heb ik Groene Kring en zijn werking beter leren kennen. Na mijn studies ben ik actief lid gebleven en toen er een plaats vrij kwam in de werkgroep, heb ik deze kans gegrepen.”
GK: Heb je naast al je bezigheden bij Groene Kring ook nog tijd voor andere hobby’s?
Hendrik: “Afgelopen zomer hebben Ann en ik een huis gekocht. Een groot deel van onze vrije tijd hebben we sindsdien aan de afwerking van dit huis besteed. Toch moet ik toegeven dat normaal 90% van mijn vrije tijd gaat naar het meehelpen op het landbouwbedrijf van mijn ouders. Natuurlijk probeer ik ook zoveel mogelijk naar de activiteiten van Groene Kring te gaan.”
GK: Hoe ziet het bedrijf van je ouders er uit?
Hendrik: “Het is een gesloten vleesveebedrijf met jaarlijks ruim 100 kalvingen. Alle dieren zijn van het ras Blonde d’Aquitaine, grotendeels stamboek. Hiernaast is er nog een akkerbouwtak met suikerbieten, vlas, tarwe en maïs. Jaarlijks wordt een deel van de grond verhuurd aan een aardappelteler. Mijn vader verzorgt de inkoop van runderen voor een vleesgroothandel, waardoor hij enkele dagen per week op de baan is.”
GK: Je bent voorzitter van de werkgroep vleesvee. Wat vind je zo mooi aan deze sector?
Hendrik: “Ik ben graag bezig met het verzorgen en voederen van de dieren. Het streven om het altijd beter te doen, zoals bijvoorbeeld de kalversterfte nog verlagen of nog zwaardere stieren afleveren op jonge leeftijd, is een uitdaging voor mij. Ook het meehelpen bij het nemen van beslissingen in verband met de bedrijfsvoering, de mestaanvoer of de productierechten interesseren mij. Het gevarieerde werk op een vleesveebedrijf is ook belangrijk: in de winterperiode vragen de dieren meer aandacht, maar vanaf de weideperiode is er meer tijd voor ander werk. In vergelijking met andere sectoren is er ook nog redelijk wat vrijheid: je bepaalt bijvoorbeeld nog zelf wanneer, aan wie en voor welke prijs je je dieren verkoopt.”
GK: Wat wil je als voorzitter van de werkgroep verwezenlijken voor deze sector?
Hendrik: “Ik hoop dat de VLIF-voorwaarde van grondgebondenheid in de vleesveesector geschrapt wordt. Dit is nog de enige sector waar dit een vereiste is. Als kleine sector verwacht ik toch dat we sterk genoeg staan om dit te bekomen. De jongerenbevoordeling voor zoogkoeienquota voorbehouden voor de vleesveesector is eveneens een voornaam punt. We moeten proberen om deze regeling uit de handen van speculanten uit andere sectoren te houden. Aan een hervorming van de pachtwet zou ik ook graag meewerken. Een ruimer aanbod pachtgrond aan een passende vergoeding is van groot belang voor de sector. Aankoop van grond is voor veel jonge boeren moeilijk en het kan een bedrijf voor een aantal jaar verlammen op vlak van investeringen. Daarnaast denk ik dat de vraag naar de oprichting van landbouwvennootschappen steeds groter zal worden. Meer voordelen geven aan deze vennootschappen is voor mij dus ook een belangrijk punt. Op deze manier kunnen starters gemakkelijker een bedrijf overnemen en worden de andere betrokken partijen minder benadeeld.”
GK: Wat zie jij als het grootste probleem binnen de vleesveesector?
Hendrik: “Vandaag is de gronddruk in Vlaanderen een groot probleem. In onze streek is vooral de havenuitbreiding met zijn bijhorende natuurcompensaties op dit vlak de grote boosdoener. Ook de grondenbank en het nieuwe MAP vergroten de honger naar grond. Ik hoop dat de vleesveehouderij, die vrij extensief is, niet verder verdrongen wordt door meer intensieve landbouwsectoren omwille van de mestdruk. Als het ooit zover komt dat de zoogkoeienrechten ontkoppeld worden, verwacht ik dat de zoogkoeienstapel nog verder zal inkrimpen. Vooral bedrijven met een klein aantal zoogkoeien, zoals bedrijven met overwegend melkvee, zullen het vleesvee afstoten en zich verder specialiseren. Dit kan leiden tot een beter gestructureerde sector, wat geen nadeel is.
Op langere termijn vind ik de onzekerheid een groot probleem, zoals het voortbestaan van productierechten en een mogelijk WTO akkoord. Investeren wordt op die manier bemoeilijkt. Langs de andere kant zie ik ook een kans voor de vleesveehouderij als uitbater van een groot deel van het permanent grasland, met meer mogelijkheden voor rendabele beheersovereenkomsten. Ook het feit dat we niet meer zelfvoorzienend zijn met een hoog kwalitatief product zal volgens mij mogelijk zorgen voor stabiele en goede prijzen.”
GK: Waar moet de werkgroep vleesvee nog op letten in het kader van het MAP?
Hendrik: “Volgens mij zal het Vlaamse mestoverschot nog verder stijgen. Hopelijk zal de uitbreiding van de mestverwerkingscapaciteit snel verlopen. Voor veel veehouders zal de mestafzet extra kosten met zich meebrengen. Een hogere verwerkingsplicht voor bedrijven die veel overschotten produceren zou de druk verlagen.
Ik ben wel blij dat de uitscheiding van de zoogkoeien teruggebracht is op een meer reëel niveau. Hopelijk kunnen we binnenkort ook gebruik maken van de derogatie. Omtrent de emissiecijfers is nog niet veel duidelijk en hopelijk zijn deze zo hoog mogelijk. Een ander voordeel van het nieuwe MAP is de mogelijke daling van de waarde van de nutriënten, dankzij de NER per diercategorie. Voorwaarde is dan wel dat dit systeem waterdicht is. Het is wel jammer dat er bij overname van NER voor alle diercategorieën afgeroomd wordt.
Wel zijn volgens mij de nitraatresidumonsters een probleem. Dit bemoeilijkt het uitrijden van mest in het najaar, wat zeker op de kleigronden die voor de winter geploegd worden een probleem is. Bovendien vrees ik ook dat de scherpere bemestingsnormen een invloed zullen hebben op de opbrengst en kwaliteit van onze gewassen en voeders.”
GK: Hoe zie jij de instroom van jonge vleesveehouders?
Hendrik: “Als starter is het moeilijk om een vleesveebedrijf over te nemen omwille van de grote behoefte aan kapitaal, grond en productierechten. Zelf verwacht ik wel een daling van de waarde van NER, indien er een goede reglementering opgesteld wordt in verband met het tussenschot. Indien het permanent grasland behouden blijft, kan dit ook in het voordeel spelen van de jonge vleesveehouder. Het aantal starters in onze sector zal volgens mij zeker niet toenemen. In de toekomst zie ik het vleesvee niet enkel op sterk gespecialiseerde bedrijven, maar voor een groot deel ook op gemengde bedrijven, waar de combinatie van verschillende sectoren voordelen oplevert, zoals bijvoorbeeld benutting stalmest en vruchtafwisseling.”
GK: Zie jij mogelijkheden van innovatie voor de vleesveesector?
Hendrik: “Ik zie vooral mogelijkheden in de verdere ontwikkeling van een marktdifferentiatie voor ons vlees, zodat het mogelijk blijft om een meerprijs te kunnen verantwoorden. Een samenwerking met de afnemers op dit vlak is ook belangrijk: zij bepalen voor een groot deel het consumptiegedrag. Kwalitatief zitten we reeds op een zeer hoog niveau en het zou spijtig zijn als dit aan dezelfde prijzen verkocht zou worden als de goedkope zuiderse import.
Op bedrijfsniveau zie ik vooral mogelijkheden in de samenwerking tussen landbouwbedrijven, zoals bijvoorbeeld het gezamenlijk aankopen van machines en het uitwisselen van arbeid tijdens piekmomenten op steeds groter wordende bedrijven. Het zelf vermarkten van producten is slechts voor een beperkt aantal veehouders interessant. De ligging van het bedrijf en arbeid zijn hierbij volgens mij de grootste hinderpalen.
De landbouw heeft volgens mij als energieproducent een toekomst op voorwaarde dat de overheid hieraan voldoende ondersteuning geeft. Dit kan eveneens een deel van ons mestprobleem oplossen, zoals biogasproductie met verwerking en export van digestaat. Deze ontwikkelingen zullen wel de kostprijs van onze veevoeders opdrijven en voor nog meer gronddruk zorgen.
Marketing zal voor onze sector in de toekomst nog belangrijker worden: we verkopen immers een nicheproduct en de meerwaarde hiervan moeten we kunnen verkopen.”
GK: Zijn er ook andere sectoren die jou interesseren?
Hendrik: “De akkerbouw is een sector die mij ook interesseert. Via mijn job ben ik veel bezig met adviezen omtrent bemesting en bespuiting. Tijdens het groeiseizoen moeten er veel beslissingen genomen worden, waarvan je het effect vrij snel ziet. Het is een sector met veel variatie in opbrengsten en prijzen, zowel binnen het seizoen als over verschillende jaren heen.
Doordat er meer concurrentie tussen de gewassen zal komen, onder meer door de productie van energieteelten, zijn de marktvooruitzichten positiever en verbetert de stemming binnen de sector. Ook de combinatie van akkerbouw met vleesvee heeft volgens mij een aantal voordelen, zoals de afzet van eigen stalmest, terugname van perspulp bij levering van suikerbieten, benutting toeslagrechten, vruchtafwisseling,…
GK: Hoe stel jij je het perfecte landbouwlandschap voor?
Hendrik: “Het perfecte landschap begint met strikt afgebakende gebieden, ook voor de landbouw. In het landbouwgebied moeten landbouwers meer ondernemingsvrijheid krijgen, minder inspraak van buitenstaanders bij vergunningsaanvraag en minder hoeves die ingenomen worden door niet-landbouwers. Daarnaast moet er veel open ruimte zijn die wordt ingevuld door goed gestructureerde bedrijven die de kans krijgen om zich verder te ontwikkelen. Hierbij moet men aan alle sectoren denken, van glastuinbouw tot intensieve veehouderij, en dat gecombineerd met een grotere onderlinge samenwerking op gespecialiseerde bedrijven, bijvoorbeeld een samenwerking veehouderij-vergisting-akkerbouw.”
GK: Wat vind jij van de huidige VLIF reglementering?
Hendrik: “Ik denk dat het belangrijk is om zeker de steun aan starters te behouden en te garanderen op langere termijn. Een sneller verloop van de aanvragen en uitbetalingen is wel een aandachtspunt.
Het wegnemen van de voorwaarde grondgebondenheid voor vleesveestallen is vooral belangrijk voor startende vleesveehouders.
Ik zou extra steun voorzien voor samenwerking tussen landbouwers, zoals de werking van machineringen en mestverwerkingsinstallaties. Daarnaast zijn er nog allerlei punten die een bijkomende steun verdienen: opleiding, onafhankelijk bedrijfsadvies,… Belangrijk hierbij is dat we er op letten dat er zoveel mogelijk VLIF-investeringen gebeuren die economisch verantwoord zijn voor de boer en die niet voor een onrendabele overmechanisatie zorgen, denk maar aan de vele drijfmesttanks.”
GK: Welke van de drie pijlers van Groene Kring vind je de belangrijkste?
Hendrik: “Belangenverdediging is zeker de belangrijkste pijler voor mij en een vereniging van jonge boeren is hier ook noodzakelijk: de belangen van een beginnende en een gevestigde landbouwer liggen immers niet altijd op dezelfde lijn. Het doel is om zowel jonge landbouwers als jongeren die in de sector willen starten, te ondersteunen. Tevens moet er gezorgd worden dat het beleid extra aandacht heeft voor jongeren zodat er voldoende instroom is in de sector en we ‘vergrijzing’ kunnen tegengaan. Ik hoop dat we via Groene Kring een aantal jongerenvoordelen kunnen bekomen en behouden, waaruit we zelf voordeel kunnen halen. Ook tussen de deelsectoren van de landbouw liggen de belangen soms niet op dezelfde lijn en daarom is het voor ons als ‘kleine’ vleesveesector veelal nuttig om onze standpunten ook daar te verdedigen.
Op vlak van vorming is men heel flexibel binnen Groene Kring. Zo is er binnen ons gewest onlangs een cursus elektriciteit en KI gestart op vraag van enkele leden. De vergaderingen, gewestkern, galabal’s en andere activiteiten horen er natuurlijk ook bij, die zorgen voor de nodige sociale contacten en ontspanning voor de hardwerkende boerenjeugd.
Zelf vind ik de omgang met collega’s die in dezelfde sector actief zijn van groot belang. Er worden binnen onze werkgroep heel wat problemen besproken die bij iedereen voorkomen. Men kan zijn mening hierover geven en zo leren om er op een andere manier tegenaan te kijken. Via de werkgroep zijn we steeds snel op de hoogte van mogelijke veranderingen binnen het beleid en kunnen we aansturen op wijziging ervan. Door uitwisseling van ervaringen met collega’s leer je heel wat dingen bij die van toepassing zijn op je eigen bedrijf.”
GK: Hoe kan Groene Kring volgens jou inspelen op de twee verschillende doelgroepen: jongeren die nog een bedrijf moeten overnemen en jongeren die al overgenomen hebben.
Hendrik: “Wie gestart is als landbouwer heeft veel ervaring met mogelijke hindernissen. Mensen die nog moeten starten, kunnen hiervan veel leren. Het is dan ook belangrijk dat we binnen Groene Kring op één lijn staan. Ik ben wel voorstander van het verhogen van de lat voor diegenen die in de sector willen stappen. Zij die effectief starten, moeten de kans krijgen om hierin te slagen.
Toch is het ook goed dat Groene Kring breder gaat dan enkel landbouwers. Mensen die in een aanverwante sector actief zijn, hebben veelal een andere, ruimere kijk op de landbouw. Op deze manier kunnen we van elkaar leren, zoals bijvoorbeeld van personen die actief zijn bij VLM of vleesverwerking. Een grote jongerenbeweging vergroot ook het draagvlak van de landbouw.”
Hendrik, bedankt voor het interview en je inzet in de werkgroep!
Citaat 1: “Ik ben blij dat de uitscheiding van de zoogkoeien teruggebracht is op een meer reëel niveau.”
Citaat 2: “Het perfecte landschap begint met strikt afgebakende gebieden, ook voor de landbouw.”