U bevindt zich hier: Algemeen » Wie is wie » Nationaal Bestuur » Interview Prov Voorzitter Oost-Vlaanderen

 Interview Bert Stoop

Na een tocht van een klein uurtje komen we aan in de Heiveldstraat 129 te Beveren-Waas. In deze uithoek van Oost-Vlaanderen, op zo’n tien kilometer van de Hollandse grens vinden we Bert Stoop, provinciaal voorzitter Groene Kring Oost-Vlaanderen.

Kan je voor de Groene Kringers buiten Oost-Vlaanderen eens kort een beeld van jezelf schetsen?

Bert: “Ik ben geboren en getogen in Beveren-Waas, net zoals mijn vier zussen en mijn broer. Als 27 jarige ben ik nu 5 jaar afgestudeerd als industrieel ingenieur landbouw, optie dierlijke productie. Al zolang ik mij kan herinneren help ik thuis mee op het gemengde bedrijf. Eenmaal afgestudeerd stond ik thuis, zoals verschillende jongeren, voor de keuze: thuis mee helpen of buitenshuis gaan werken. Mijns inziens was er niet voldoende werk op het bedrijf zoals het toen was. Gelukkig vonden we een oplossing in een uitbreiding binnen de pluimveesector door een aanpalend bedrijf te kunnen overnemen. Nu er iets meer werk was, was de keuze om zelfstandig te worden helper logisch.”

Steeds meer jongeren in de landbouw doen hogere studies. Ben jij daarmee tevreden?

Bert: “Eigenlijk wel. Ik bekijk mijn diploma namelijk als een troef in twee richtingen. Enerzijds biedt het mij de vrijheid dat ik niet verplicht ben om te boeren. Ik kan meer dan dat alleen! Aan de andere kant is het diploma een bevestiging van mijn capaciteiten als landbouwer.”

Je sprak reeds van een uitbreiding van het bedrijf in de pluimveesector. Hoe is het bedrijf nu gestructureerd?

Bert: “Er zijn vier verschillende takken aanwezig. De hoofdtak is de gesloten varkensteelt. Daarnaast was er van vroeger ook al akkerbouw aanwezig. De belangrijkste teelten zijn suikerbieten, tarwe, kuil- en korrelmaïs en blijvend en tijdelijk grasland. De kleinste tak op het bedrijf is het melkvee. Hier hebben we de bedoeling op dit zo optimaal mogelijk te doen met een minimum aan arbeidstijd. Daarom maken we bijvoorbeeld gebruik van een dekstier en worden de 35 stuks melkvee nog steeds gemolken in de bindstal met automatische afname. De laatste tak heb ik dan al eerder vermeld: in 2001 hebben we uitgebreid in een vleeskippen stal.”

Keuze genoeg dus. Geniet er een tak jouw voorkeur?

Bert: “Ik heb eigenlijk geen specifieke voorkeur voor een bepaalde sector. Het is juist de afwisseling die het voor mij boeiend maakt. Ik werk bijvoorbeeld graag op het veld maar niet dagen aan een stuk, want dan is het al een stuk minder leuk.”

Specialisatie is de toekomst, wordt wel eens gezegd. Hoe doe je dat met vier verschillende takken op één bedrijf?

Bert: “Specialisatie kan er inderdaad voor zorgen dat de technische en economische resultaten beter zijn. De vraag is echter: ‘wanneer ben je specialist?’ Is het onmogelijk om in meerdere sectoren tegelijkertijd gespecialiseerd te zijn? Verder ben ik ook van mening dat ervaringen uit de ene tak van het bedrijf kunnen bijdragen tot een optimalisatie ergens anders. Het is ook zo dat een aantal zaken op dezelfde principes steunen, denk maar aan hygiëne, klimaatsregeling,…”

Het gaat niet zo goed in de pluimveesector. Heb je nooit getwijfeld aan de uitbreiding?

Bert: “Het is inderdaad zo dat pluimvee de laatste tijd niet zo positief in het beeld gekomen is. De economische rendabiliteit is bovendien al een poosje nihil. De import van goedkoop Braziliaans kippenvlees brengt soms twijfel in de sector. Ik ben er echter van overtuigd dat blijven werken aan een optimalisatie van de technische resultaten de enige uitweg is op bedrijfsniveau. Ook Aviaire Influenza en een zogezegd gebrek aan dierenwelzijn zijn zaken die een negatieve invloed hebben. Voor A.I. kunnen we enkel de maatregelen respecteren en waakzaam zijn. In verband met dierenwelzijn en de bezettingsgraad denk ik dat de klacht onterecht is. De normen zijn voldoende wetenschappelijk onderbouwd dat dit niet anders kan dan correct zijn.”

Nauw aansluitend bij het pluimvee zijn de varkens. Hier gaat het vandaag economisch wel goed.

Bert: “De varkens doen het nu economisch inderdaad goed. Toch moeten we rekening houden met het feit dat ook dit meer en meer een wereldmarkt wordt. Logischerwijze zullen we opnieuw aandacht besteden aan onze kostprijs die we onder controle moeten houden. Dierenwelzijn is ook hier natuurlijk een factor met economische gevolgen. Hoe ver moeten we gaan? Wij passen reeds 15 jaar groepshuisvesting toe met goede resultaten. De meerkost hiervoor bij nieuwbouw is minimaal en het imago wordt positief beïnvloed. Volgens mij is het dan ook een maatregel die zeker gesteund moet worden. Maar men moet natuurlijk realistisch blijven: bij het verbod op tandknippen van de biggen kan je namelijk wel vragen hebben. Wat is het best voor het dierenwelzijn? Het knippen van de tanden of de zeug die gekwetst wordt door zogende biggen.”

Het nieuwe MAP is volgens sommigen geschreven voor de varkenssector. Volgens anderen dan weer tegen de melkveehouderij. Wat is jouw mening hierover?

Bert: “‘tja, het nieuwe MAP. De grote lijnen zijn geschreven, dat is duidelijk. Toch moet iedereen er bij stilstaan dat zoals het er nu voorstaat er minder mest op de grond kan afgezet worden en dat we dus voor meer mest een alternatief moeten zoeken. Velen zullen toch moeten verwerken wegens geen ander alternatief! De hoge boetes zie ik als positief. Vroeger werd nog al eens de afweging gemaakt mest verwerken/de boete betalen. Die keuze zal nu snel gemaakt zijn. Wat ik persoonlijk dan weer betreur is het bedrijfsgradiënt van 0,5 procent extra mestverwerking per 1000 kg stikstofoverschot. Dat de vervuiler betaald, daar sta ik volledig achter, maar er wordt steeds gepleit voor degelijk gestructureerde bedrijven met toch een minimale omvang om de rendabiliteit te garanderen. Nu gaat men deze bedrijven extra straffen met een regel die het MAP er alleen maar complexer op maakt.”

Denk je dat een afbouw van de veestapel een oplossing kan zijn?

Bert: “In tegenstelling tot anderen denk ik dat afbouw van de veestapel geen oplossing is. Onze landbouwsectoren moeten een voldoende grote omvang behouden om afzet te kunnen creëren buiten onze regio en om onze productiekosten te beperken. Indien we enkel zelfvoorzienend zijn, kan men ons nog beconcurreren met goedkopere ingevoerde producten. Daarnaast kan wat hier in Vlaanderen wordt geproduceerd hier worden verwerkt. Dit komt de werkgelegenheid en de economie alleen maar ten goede.”

170 kg stikstof per ha, blijft akkerbouw nog haalbaar?

Bert: “Dat vraag ik mij eigenlijk ook soms af. De compensatie van de lage economische rendabiliteit met mest is, zeker op lange termijn, geen goede zaak voor de akkerbouw. Landbouwers met een mestoverschot zullen namelijk steeds een economische afweging maken tussen mestafzet en mestverwerking. Er zijn dus limieten en die zullen verlagen eenmaal de mestverwerking verder op punt gesteld wordt.

Melkvee is bij jullie de kleinste tak op het bedrijf. Sta jij stil bij de quotum perikelen?

Bert: “Ik sluit mij hier eigenlijk volledig aan bij het Groene Kring standpunt. Afschaffing mag maar dan mits de nodige duidelijkheid. Dus laat ons tijdig weten wat de plannen zijn: worden er overgangsmaatregelen voorzien en wanneer worden ze uitgevoerd? Het zijn namelijk de jongeren die de grootste investeringen maken in quotum en de hoogste nood hebben om te investeren in een duurzame toekomst.”

Jongeren die investeren in de toekomst. Dat brengt ons logischerwijze naar de geplande VLIF hervormingen. Waar moet Groene Kring de klemtoon op leggen?

Bert: “Men is van plan om het principe van de rentesubsidies af te bouwen. Persoonlijk vind ik dat jammer. Het voordeel van een rentesubsidie t.o.v. een kapitaalspremie is namelijk dat bij een kapitaalspremie de overlater een goed beeld kan vormen van de beschikbare middelen. Een deel van de middelen durfde dan al eens nagenoeg rechtstreeks van het VLIF, via de overnemer bij de overlater terecht te komen.

Bovendien moeten we waakzaam zijn dat er voldoende middelen behouden blijven voor de jonge starter en de innoverende projecten binnen landbouw. Het VLIF moet dus enige flexibiliteit bevatten.

Je bent nu 27 jaar. Hoe zie je de toekomst voor jezelf?

Bert: “Op het ouderlijke bedrijf wens ik in eerste instantie verder te werken aan een landbouwbedrijf met toekomst. Natuurlijk wil ik ook zelf boeren. Het is alleen nog niet duidelijk hoe dat zal gebeuren, we zijn met zes hé. Binnen Groene Kring en hopelijk ook daarna wil ik mij blijven inzetten voor de belangen van de sector. Zo blijf je zelf op de hoogte van het laatste nieuws in de sector maar ergens is het ook de plicht van iedere landbouwer om op te komen voor de landbouwsector in zijn geheel.

Binnen Groene Kring wens ik als voorzitter de Groene Kring werking en in het bijzonder de provinciale werking verder uit te bouwen en te versterken, jongeren in de landbouw samen te brengen en hun belangen te verdedigen. “

Heb je nog een speciale boodschap?

Bert: “Ja, Iedereen moet meewerken! We zijn met steeds minder, samen onze belangen verdedigen wordt dan ook steeds belangrijker. Ik denk dat hierin dan ook een uitdaging zit voor Groene Kring om vakbekwaamheid en sociaal engagement te blijven combineren en stimuleren.”