Na de herstructurering van de werking van KLJ volgens specifieke doelgroepen begon ook voor de werking naar jonge land- en tuinbouwers een nieuwe levensfase.
De gewestelijke kernen gingen steeds gerichter werken naar de land- en tuinbouwjongeren. Binnen KLJ-afdelingen ging men werken met een aparte ledenlijsten Groene Kring. Op plaatsen waar er geen KLJ-afdeling was konden jonge boeren toch aansluiten door rechtstreeks lidgeld betalen aan de gewestelijke kernverantwoordelijke Groene Kring. Hier werd de geleidelijke loskoppeling van het lidmaatschap GK en KLJ ingezet.
De structuur van Groene Kring werd verder uitgebouwd en in 1977 vastgelegd in een huishoudelijk reglement (zie kaderstuk). Deze gewestelijke kernen kregen een provinciale bovenbouw onder de vorm van provinciale kernen. Nationaal werd de inspraak van de leden georganiseerd in de Nationale Groene Kring Kommissie.
In de volgende jaren tekenden zich een aantal duidelijke krachtlijnen af waarop de Groene Kring-werking moest steunen. In 1982 werden ze als volgt verwoord:
KERNWERKING: Per gewest moesten enkele jongeren gevonden worden die de motor wilden zijn van de jonge boerenwerking in de streek.
BLOKVORMING: Een hechte solidaire groep vormen van mensen die elkaar kennen, aanmoedigen en steunen.
INFORMATIE: Studie, uitwisseling van ervaring was en is nodig om beter boer of tuider te worden en is tevens een opdracht van een groep die standpunten wil innemen en doordrukken.
ACTIE: De drie vorige krachten kunnen en moeten leiden tot standpunten, welomschreven voorstellen, fundamentele kritiek. Deze bekendmaken en doordrukken is actie.
In plaats van verder aan structuren te sleutelen - de structuur zoals uitgezet in 1977 hield praktisch ongewijzigd stand tot 1991- werd de operationele werking sterk uitgebouwd. Naast de K.L.J.- vrijgestelden in de provincies die de werking van de vier doelgroepen bleven opvolgen, ontwikkelden nationale stafmedewerkers specifiek voor Groene Kring een eigen aanbod. Inhoudelijk volgden ze ook verschillende thematieken op.
Volgende syndicale thema’s mochten rekenen op een bijzondere belangstelling van Groene Kring : contractteelt vs zelfstandig familiebedrijf, vestigingswet, aanleg autosnelwegen, grondbeleid (ruilverkavelingen, seizoenspacht, opmaak gewestplannen), LIF-reglementering en de invoering van het melkquotum in 1984.
Een bijzondere vermelding verdient de actie ‘Gele donderdag’. Op 12 juni 1975 werd er gelijktijdig in het gehele land, onder massale persbelangstelling actie gevoerd om aandacht te vragen voor de inkleuring van agrarisch gebied bij de opmaak van de gewestplannen.
Een ander huzarenstukje was de publicatie, op 17 oktober 1987, van een 25 bladzijden tellende visie op de ‘Toekomst in land- en tuinbouw’.
In 1977 werd ook van start gegaan met de organisatie van ‘Provinciale Groene Kring Dagen’. Antwerpen nam hiertoe het initiatief over de problematiek ‘Grondprijzen en grondgebruik’. Sindsdien werd er om de twee jaar in iedere provincie een provinciale GK dag georganiseerd, waarbij alle provinciale Groene Kringers uitgenodigd werden om die dag beweging te maken, een stukje vorming op te doen en gezellig samen te zijn.
In principe werd er in de tussenliggende jaargangen een Nationale Groene Kring Dag georganiseerd. De eerste, bijgewoond door meer dan 600 jonge boeren, vond plaats in 1979 te Sint-Niklaas met als titel ‘Ruimte voor de jonge boer’. Later volgden nog Dadizele (1981), Kaulille (1983), Leest (1985), Aarschot (1987) en Oudenaarde (1990).
Vanaf 1984 ging Groene Kring ook werken met een eigen jaarthema. Volgende thema’s kwamen tot 1990 aan bod : ‘Boeren en tuinieren, een uitdaging’, ‘Het gezinsbedrijf’, ‘Boerenwerk, klassewerk’, ‘Geboeid boeren’, ‘Hou het hoofd koel’ en ‘Recht op boeren’.