U bevindt zich hier: Algemeen » Geschiedenis » 1965 - 1974

 Algemeen Kader

De jaren zestig brachten een heroriëntatie in alle katholieke bewegingen en zeker in de jongerenbewegingen. De jongeren zochten naar nieuwe vertrekpunten. Vaste waarden werden in twijfel getrokken. De inspiratie kwam nog steeds uit het evangelie maar het kerkelijk leergezag werd in twijfel getrokken. De bewegingen stelden zich zeer kritisch op tegenover de katholieke zuil en de maatschappij in het algemeen.
Het was de start van een ver doorgedreven democratisering. Uniformen verdwenen of werden gemoderniseerd. De autoritaire leidersfiguur verdween van het voorplan en maakte plaats voor inspraak van elk lid. In de jaren ‘70 werd de coëducatie sterk gepropageerd. Overal fusioneerden groepen tot gemengde jeugdbewegingen. Het voorbeeld was op nationaal vlak gegeven. Er werd zeer open gediscussieerd over seksualiteit en andere problemen die vroeger taboe waren. De herbronning in progressieve zin zorgde voor grote problemen binnen de organisaties.
De specifieke standsorganisaties kregen toenemende concurrentie van niet-standsgebonden jongerenbewegingen zoals V.V.K.S. en V.V.K.M. Bovendien voelden, met het toenemen van de ontspanningsmogelijkheden, veel jongeren zich niet meer aangetrokken tot de traditionele jeugdbewegingen. Dit uitte zich in stagnerende of dalende ledencijfers.


 De Naamsverandering

Onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog zag de B.J.B. in dat er voor hem op termijn een gevaar lag in de verstedelijking. Vele jonge boeren en boerinnen vonden geen werk meer op het ouderlijk bedrijf. Ze gingen in de stedelijke industrieën en ambachten werken en pendelen.
Op die manier werd het landelijk milieu opengebroken: heel wat jongeren waren boerenjeugd van afkomst maar arbeider vanuit hun werkmilieu. Vandaar de vrees voor ledenverlies en concurrentie met de K.A.J.
Om dit op te vangen pakten de B.J.B.-jongens in het werkjaar 1947-1948 uit met een gemengd programma, een programma voor B.J.B.’ers-arbeiders. Sommige van de lessen waren opgesteld door de K.A.J.-leiding.
In de volgende jaren nam het aantal niet-boerende leden in de B.J.B. toe, mede omdat op het platteland zelf een steeds grotere verscheidenheid van economische bedrijvigheid ontstond.
De benaming Boer(inn)enjeugdbond voldeed op de duur niet meer aan de feitelijke situatie en het programma. Nadat reeds in 1955 de beweging in de Oostkantons van start was gegaan als Katholische Landjugend, begon de B.J.B. onderhandelingen met zijn kerkelijke en Boerenbond-”oversten” om de naam te mogen veranderen.
In 1965 kon de B.J.B. zijn naam veranderen in Katholieke Landelijke Jeugd (K.L.J.), de institutionalisering van een sinds lang bestaande situatie. De K.L.J. werd van standsbeweging tot jongerenbeweging omgevormd: “Wij wensen een jeugdbeweging, uitgaande van een levenssituatie: het jong-zijn, het Vlaming-zijn, het katholiek-zijn in het levenskader van de landelijke gemeenschappen, die mede door onze activiteit, in hun geheel moeten worden tot een leefmilieu, dat, zijn specifieke eigenheid bewarend, toch moet uitgroeien tot volwaardige en kernen van hoogstaand cultuur- en geestesleven” .
Na de naamsverandering bleef de K.L.J. toch speciale aandacht besteden aan haar programma’s voor jonge boeren en boerinnen. In elke afdeling (jongens en meisjes) kwam één beroepsverantwoordelijke in het bestuur.
In 1966 werd de Dienst Beroepswerking omgevormd tot de Groene Kring.
Ter gelegenheid van de naamsverandering nam kanunnik Claes afscheid van de K.L.J. om een jongere nationaal proost de kans te geven het nieuwe programma en de nieuwe naam waar te maken. Hij werd opgevolgd door kanunnik Cardinaels.


 Uitbouw van de Groene kring

In 1971 werd de structuur van de Boerenbond in een nieuwe Grondkeure gewijzigd. De ledenbeweging werd ontdubbeld in een ruime Landelijke Beweging met Landelijke Gilden, K.V.L.V.- en K.L.J.-afdelingen enerzijds en de Beroepsorganisatie met Bedrijfsgilden, Agra-Kringen (voor beroepsactieve vrouwen) en Groene Kring anderzijds.

Om dit te verwezenlijken hield de K.L.J. in 1970 een Agrarisch Jongerencongres waar de plaats van de jonge boeren in het geheel van de organisatie werd bediscussieerd. Beslist werd dat de Groene Kring een deel zou blijven van de K.L.J. en dat via de Groene Kring de jonge boeren zouden vertegenwoordigd worden in de volwassenenorganisaties.

In die jaren kwam ook geleidelijk een Groene Kring-werking tot stand met in ieder gewest een Groene Kring-verantwoordelijke en een gewestraad waar de planning van de activiteiten gebeurt. Vanaf 1972 ontstonden de eerste kernen. In 1973 begon de Groene Krant als apart tijdschrift te verschijnen. De eerste Groene Krant verscheen echter in maart 1972 als inlage in “Idee”, het vormings- en werkblad voor de KLJ-leiding.

Het programma van de Groene Kring omvatte vorming en belangenverdediging van de jonge land- en tuinbouwers. Vorming gebeurt via de beroepscursussen, studie- en informatievergaderingen, ploegwedstrijden en stages, studiereizen en internationale uitwisselingen.

De belangenbehartiging gebeurde in de eerste plaats via vertegenwoordiging. Binnen de B.B. was de Groene Kring vertegenwoordigd in de geledingen van de beroepsorganisatie en in het Centraal Comité voor Land- en Tuinbouwbelangen (C.C.L.T.), de vereniging van politieke mandatarissen-leden B.B.

Buiten de B.B. werd de Groene Kring regelmatig ingeschakeld in departementale commissies, was het lid van de Nationale Landbouwraad en van de Conseil Européen des Jeunes Agriculteurs (C.E.J.A.).

Bovendien zorgt de Groene Kring zelf voor acties om de aandacht van de publieke opinie te vestigen op de problemen van de jonge boeren .


 De D-KLJ

KLJ ontsnapte niet aan de contestatiegolf van het einde van de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig. Gevestigd te Leuven onderging de KLJ de invloed van progressieve ideeën die toen in de universiteitsstad leefden. Bovendien was er een sterke invloed vanuit MIJARC (Mouvement International de la Jeunesse Agricole et Rurale Catholique).

Sedert de Algemene Vergadering te Ottawa in 1970 nam MIJARC de optie zich in te laten met de problemen van sociale verandering en mensenrechten. Ze kleefden de marxistische maatschappij en gingen openlijk streven naar een socialistische maatschappij. Daarmee zou de beweging in botsing komen met het Vaticaan, dat MIJARC in 1976 schorste als internationale katholieke organisatie.

De MIJARC-strekking had ook een aantal aanhangers binnen de leiding en de provinciale vrijgestelden van de KLJ. Zij trachtten de KLJ de richting uit te duwen van een ‘links’ georiënteerde vormingsbeweging en eisten een meer democratisch besluitvormingsproces. Dit kwam tot uiting ondermeer tijdens de Nationale Ontmoetingsdagen van 1969 en 1971. Ook uit de inhoud van de tijdschriften spreekt die tendens.

Toen met name op de inhoud van bepaalde artikels in Aksent in de loop van 1974 zware kritiek kwam vanuit de Boerenbond en de kerkelijke instanties werd besloten om in te grijpen.
De KLJ kampte reeds jaren met ledenverlies. Tussen 1963 en 1974 verloor de KLJ 13000 leden. Hierdoor was de personeelsomkadering te zwaar geworden. De fel geslonken ledenbijdragen hadden tot gevolg dat de financiële steun vanwege de Boerenbond steeds belangrijker werd.

Eind 1974 werd beslist dat de KLJ moest gaan rationaliseren en dat met name het aantal provinciale vrijgestelden diende ingekrompen te worden van 4 tot 3 per provincie. Er moesten ontslagen vallen. Toen bleek dat vooral de ‘progressieven’ getroffen werden, werd deze maatregel door hen aangevoeld als een zuivering.

Ze gingen in de reactie. De KLJ-Centrale werd bezet en de nationale pers sprong op de zaak. De ontslagen verantwoordelijken slaagden erin enkele afdelingen mee te krijgen en richtten een scheurbeweging op : de ‘Democratische KLJ’. De beweging kreeg steun in bepaalde studentenmiddens en vanwege MIJARC. Er werd een eigen tijdschrift uitgegeven ‘Basisideeën’.

Later evolueerde de ‘Democratische KLJ’ volledig in marxistische richting. De samenwerking met de Rode Jeugd resulteerde in het tijdschrift ‘Kabaal’.


 Actuele agrarische problemen in 1969

Volgende tekst haalden we uit de ‘Idee’ van maart 1969. Op dat ogenblik werd er in de media heel wat aandacht besteed aan het memorandum van Manholst om het Europese landbouwbeleid te hervormen. Zoals je merkt zijn de tijden niet veranderd…

“… Moeten wij niet reageren, maar dan op een positieve wijze, tegen de manier waarop de publieke opinie, dagelijks op een negatieve, onverantwoorde wijze ingelicht wordt en daardoor een totaal verkeerd beeld krijgt van de situatie. De omstandigheden verplichten ons van actief op te treden, laat ons gerust zeggen, een syndicaal karakter aan te nemen.
De aandacht van de publieke opinie moet gevestigd worden op de positieve waarde van de landbouw…”
“…Het lijkt misschien niet realistisch, maar het is een feit dat bepaalde beslissingen voorbarig en zonder voorafgaande studie genomen werden.
Is het niet nodig, dat iedereen dit weet, om zelf een juist idee te kunnen vormen over de toestand, zonder zich te laten beïnvloeden door misleidende en onverantwoorde uitlatingen …”


 Een greep uit de activiteiten van toen

Wat dacht je van :

  • Wedstrijd “Het beste beestje”
    Voor alle leden, meisjes en jongens. De opdracht is eenvoudig : Binnen een bepaalde termijn 10 varkens vetmesten, waarvan er minstens 8 dienen afgeleverd, om beoordeeld te worden op kwaliteit en groei per dag.
    Spreek op alle vergaderingen over deze wedstrijd en geef uw leden de kans er aan deel te nemen. Voor de afdeling met de meeste deelnemers met de beste kwaliteit is er een aardige prijs weggelegd.
  • Basiscursus “Elementaire landbouwbegrippen”
    Tijdens de wintermaanden wordt aan alle boerende leden de kans gegeven een basiscursus te volgen. Het is een 100-uren cursus die gespreid wordt over twee jaar. Deze winter worden er lessen gegeven over : plantkunde, scheikunde, bodemkunde, groeifactoren en bemestingsleer. Volgend jaar gaan we zeker verder met lessen over voortplantingsleer, erfelijkheidsleer, plantenziektenleer en dierkunde.
  • “Proefveldwerking”
    Met de proefveldwerking is het zoals met alle activiteiten, het wordt maar goed als we er wat voor doen. De proefveldwerking is niet een programma dat ieder jaar door de centrale wordt voorgeschreven om door de leden te worden uitgevoerd. De Centrale kan alleen helpen. Helpen met een voorstel van onderwerpen waarop proeven kunnen aangelegd, met richtlijnen voor aanleg en uitvoering, materieel, zaden, bestrijdingsmiddelen…maar ze kan het zelf niet komen uitwerken, dat moet door de leden gebeuren. Het doel is ten slotte de beroeps kennis van onze jonge boeren en tuinders te verbeteren.
  • “Nationaal sportfeest voor de agrarische instituten”
    Elk jaar organiseert KLJ-Groene Kring een nationaal sporttreffen voor alle land- en tuinbouwscholen. Doet je school ook mee ?
  • “Melkprijskampen”
    In het kader van de Groene Kringwerking is een prijskamp voorzien in machinaal melken. De bedoeling van deze prijskamp is in de eerste plaats de aandacht toe te spitsen op een goede melktechniek en zindelijk melken. In de prijskamp zijn verschillende stadia voorzien : gewestelijke, provinciale en nationale wedstrijden.
  • Cursus “Boer worden”
    Dit is een gespecialiseerde bedrijfstechnische, -economische en- organisatorische opleiding als laatste voorbereiding op het landbouwberoep.