U bevindt zich hier: Algemeen » Geschiedenis » 1940 - 1964

 Structuurveranderingen

De bezettende macht tijdens de oorlog legde verbod op aan al de bestaande sociale organisaties om hun activiteiten voort te zetten. Het Belgische episcopaat beriep zich echter op zijn recht om de Katholieke Actie-beweging als kerkelijke aangelegenheid te vrijwaren.
Hieruit volgde dat K.A.-jeugdbewegingen van de drie christelijke sociale organisaties (Boerenbond, A.C.W. en N.C.M.V.) voor Vlaanderen werden opgericht als zelfstandige v.z.w.’s met rechtspersoonlijkheid en rechtstreekse afhankelijkheid van het kerkelijk gezag.

De Bondsraad van de Belgische Boerenbond stemde in oktober 1940 in met deze structuurwijziging. Voortaan werd de BJB “een afzonderlijk organisme, met eigen leden en eigen leiding, en staat buiten de organisatie”. De BJB werd dus formeel uit de BB-structuren losgeweekt. In februari 1941 werd de BJB als zodanig officieel gestructureerd met een eigen Raad van Beheer. Deze zelfstandige structuur behield de BJB tot 1965.
De Boerenjeugdbond kreeg in 1941 ook een eigen ‘Centrale’ in de Blijde Inkomstraat te Leuven.

In praktijk bleef de hechte band tussen de BJB en de BB steeds bestaan. Op plaatselijk niveau leidde de BJB de boerenzonen of –dochters naar de parochiale boer(inn)engilden. Kanunnik Engelen, proost van de Boerenjeugdbond, vroeg en kreeg de toezegging dat de organisatie op de steun van de BB kon rekenen. Voor de vakopleiding van de jonge boer zou verder gezorgd worden, ter plaatse door de boerengilde en centraal door het Secretariaat.
Deze sterke band bleef nog bestaan in de figuur van Mgr. Cruysberghs, proost van het J.V.K.A. (1936-1951) en de BB (1936-1962), die aldus de bindfiguur was tussen de kerkelijke en wereldlijke oversten van de BJB.

Binnen de BJB werd het trouwens als een gemis aangevoeld dat men door de nieuw verworven zelfstandigheid niet meer in de bestuursorganen van de BB vertegenwoordigd was. Reeds in 1948 vroeg kanunnik Engelen of de BJB kon vertegenwoordigd zijn door voorzitter C. Thys in de Bondsraad met als tegenprestatie de afvaardiging van M. Van Beveren van de BB in de Centrale Raad van de BJB. Meer dan een plaats als waarnemer bij de Bondsraad zat er voor C. Thys echter niet in.


 Werking in moeilijke omstandigheden

De tactiek van het losweken van de K.A.-jeugdwerken uit de sociale organisaties belette dat de bezetter de BJB tijdens de oorlogsjaren de werkzaamheden deed stopzetten. Zo goed als mogelijk trachtten de verantwoordelijken de werking verder te zetten, uiteraard met de nodige beperkingen ten gevolge van de speciale omstandigheden. Zo verdween het ledenblad ‘De’ BJB-er’ tot na de oorlog. Plaatselijk en gewestelijk kampte vooral de Boerenjeugdbond soms met een gebrek aan kaders, eerst ten gevolge van de mobilisatie, later door de opeisingen van jonge mannen als arbeidskrachten voor de Duitse landbouw en industrie.

Anderzijds zorgden de bijzondere omstandigheden ook voor enkele specifieke klemtonen in de werking. De rechtstreekse, statutaire afhankelijkheid van het Belgische episcopaat versterkte nog het uitgesproken K.A.-karakter van de beweging. Met name in West-Vlaanderen versterkte Karel Dubois, algemeen proost van de K.A. in het bisdom, zijn greep op de BJB. De werking voor de leden-gemobiliseerden die reeds voor de oorlog was gestart in samenwerking met MILAC kende tijdens de eersten jaren van de mobilisatie en de oorlog een hoogtepunt.

Met ’s Konings Garve’ droeg de BJB zijn steentje bij tot het ondersteunen van de door de Duitsers opgeëiste Vlamingen. De actie bestond uit het omhalen van voedsel bij de boeren door de BJB-jongens en –meisjes. Dit voedsel werd dan opgestuurd naar de in Duitsland tewerkgestelde Vlamingen.

De beperking van de activiteiten maakte ook plaats vrij voor bezinning aan de top ter voorbereiding van een hernieuwde werking na de oorlog. Zeer belangrijk voor de na-oorlogse evolutie was de splitsing in 1942 bij de Boerinnenjeugdbond van de werking in jong-BJB-meisjes (- 17-jarigen) en BJB-meisjes ( 17-jarigen). In 1944 kregen de meisjes eindelijk hun eigen ledenblad De Zonnebloem. Dit bevestigde meteen hun eigen identiteit ten opzichte van ‘moeder-Boerinnenbond’, hoewel de BJB-meisjes steeds een grotere afhankelijkheid van de volwassenenbeweging zouden behouden dan dit het geval was van de BJB-jongens. Pas in 1947 werden afzonderlijke opziensters voor de Boerinnenbond en de BJB-meisjes (de diocesane leidsters) aangesteld.


 Van Katholieke actie-beweging tot BJB-Jeugdbeweging

Nieuwe gezichten, nieuwe bloei
Onmiddellijk na de oorlog werden de werkzaamheden hervat en uitgebreid. Aan de top kwamen nieuwe gezichten de beweging versterken. In 1946 volgde Juliana Lievens, Jeanne Cardijn op als hoofdleidster van de meisjes. Bij de BJB-jongens werd het personeel verdubbeld, zodat voortaan iedere provincie over twee opzieners beschikte. Constant Thys werd voorzitter, terwijl Albert Meyhi als algemeen secretaris werd aangestel. In januari 1949 volgde E.H. Claes kanunnik Engelen na diens overlijden op als nationaal proost BJB.

Weldra kon de BJB ten volle zijn werkzaamheden hervatten en nieuwe werkingsaspecten uitbouwen. Het was dan ook een bloeiende en zelfverzekerde BJB die gemeenschappelijk, jongens en meisjes, in 1952 te Leuven zijn vijfentwintigjarig bestaan vierde. De BJB telde op dat ogenblik zo’n 53000 leden.

In datzelfde jubeljaar kregen de BJB-meisjes voor het eerst een eigen proost: kanunnik Ansay. Kanunnin Claes bleef proost bij de jongens.

Van K.A.-beweging naar jeugdbeweging
De nieuwe generatie BJB-verantwoordelijken zorgde ook voor nieuwe impulsen: men zou behoedzaam evolueren van pure K.A.-beweging naar een echte –katholieke- jeugdbeweging. Kanunnik Claes verwoordde dit als volgt : “Als wij voor deze keuze zouden gesteld worden van de BJB, Katholieke Actie of jeugdbeweging te maken, wat zouden wij dan voor antwoord geven? Ik zeg jeugdbeweging in deze zin dat de BJB moet uitdeinen in de massa en zich niet mag beperkten tot loutere K.A.-vorming bij een kern of elite. Iedere Boeren- en tuiderszoon moet iets aan de BJB kunnen hebben.
Wij dienen ons te richten door de kern tot de massa. DE BJB wil beantwoorden aan alle spiraties van de landelijke jeugd in elke levensperiode voor het huwelijk of geestelijke roeping”.

Deze verandering manifesteerde zich vooral op twee vlakken: enerzijds de verruimde belangstelling voor de jongere leden, anderzijds de uitbouw van de sport- en ontspanningswerking.

Reeds in 1940 was bij de BJB-meisjes een opdeling gemaakt van de werking voor de min 17-jarigen en de plus 17-jarigen. Dit betekende dat de jonge leden een eigen aanpak kregen, aangepast aan de noden van hun leeftijd. De jong-BJB had een meer jeugdig en sportief karakter.
Ook de BJB-jongens kregen een specifieke werking voor de jongere leden, eveneens jong-BJB geheten. Een aangepast programma met veel spel en vaardigheidsoefeningen, het scheppen van een kameraadschappelijke geest en het inschakelen van korte lessen over de grondprincipes van de Katholieke Actie en de BJB moest de jongste leden en de schoolverlaters stilaan rijp maken voor het echte jeugdbewegingsleven van de BJB.
In 1962 kwam er een grotere structurele coördinatie tussen de BJB-jongens en de BJB-meisjes. Voortaan kreeg de gehele BJB formeel een tweeledige structuur waarin ook de jongsten een plaatsje hadden.

Kenmerkend voor de evolutie van louter K.A.-beweging naar jeugdbeweging was de ruimere plaats die sport en spel ging innemen in de BJB-werking. Onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog werd Jos Peeters bij de BJB-jongens vrijgesteld om de sportwerking te organiseren. Dit resulteerde in 1952 in de oprichting van een Dienst Lichamelijke opvoeding. De concrete uitwerking van het sportprogramma werd mogelijk gemaakt door het aanstellen van sportverantwoordelijken op de verschillende werkingsniveaus, contactvergaderingen en (bij)scholingscursussen.
De sportwerking van de BJB richtte zich in die periode in de eerste plaats op vormen die geacht werden bijzonder goed aan te sluiten bij het landelijk milieu : ruiterij en vendelzwaaien. Daarnaast was er het keurturnen met de bondsreeksen: reeksen van ritmische oefeningen.
Ook de meisjes bouwden een sportwerking uit, zij het niet zo vlug als de jongens.
De bekroning van de jaarwerking op sportgebied waren de jaarlijkse gewestelijke en provinciale Zomerfeesten-Sportfeesten dien vanaf 1959 gemengd konden doorgaan. Op deze feesten werden de oude Vlaamse volksspelen weer opgefrist en aangepast, de bondsreeksen werden geturnd en ook de vendeliers en ruiters kwamen aan bod.

De ruiterij als vorm van ontspanning voor de jonge boeren ontstond in 1937 te Boezinge. André De Mey, onderpastoor en BJB-proost, verenigde een twintigtal jonge boeren die leerden paardrijden. De Mey zag in de ruiterij een ideale kans op ontspanning, sport en vorming voor de jonge boeren. Immers de meeste jonge boeren beschikten op het ouderlijke bedrijf over een paard. Het was een logische stap dit paard in de vrije tijd te gaan gebruiken voor ontspanning.
Reeds in 1939 zocht De Mey contact met de nationale BJB-leiding (kanunnink Engelen). Deze contacten werden onmiddellijk na de oorlog hernomen. In 1947 nam de provinciale leiding van BJB West-Vlaanderen de Landelijke Rijvereniging-activiteiten op in haar programma.
Na het overlijden van kanunnik Engelen werd met de nieuwe nationale proost, kanunnik Claes (1949), de LRV-werking in het nationaal BJB-programma opgenomen en sterk georganiseerd als zelfstandige dienst binnen de BJB. Omstreeks 1952 ontstond vanuit LRV de paardenfokkerij en in 1958 werd de Landelijke Ruiterschool opgericht te Oud-Heverlee.
De ruiterij werd naar de buitenwereld één van de visitekaartjes van de BJB waardoor de beweging zich onderscheidde van de andere K.A.-bewegingen.

Het vendelen werd in de BJB gelanceerd ter gelegenheid van de jubelvieringen van 1952. Het werd verder georganiseerd in de schoot van de BJB onder impuls van kanunnik Claes en nationaal leider René Peeters. De bedoeling was het vendelen te doen herleven “als een middel om te getuigen van de hoge levensstijl en de echte adel, die de boerenstand in zich draagt”.
Het vendelen kende in de BJB een snelle evolutie. Verschillende reeksen werden opgetekend; dubbel vendelen, kunstvendelen, vendelen op muziek, vendelen te paard of op een staande piramide. De vendeliersgilden kenden hun grootste bloei gedurende de jaren zestig. Ze kregen een duidelijke structuur met een getrapte vertegenwoordiging van het plaatselijke naar het nationale plan. Naast de traditionele Zomerfeesten ontstond het Landjuweel, waarop de beste vendeliers opm de twee jaar met elkaar wedijveren.

De internationale dimensie
De internationalisering van het politieke, economische en maatschappelijke leven na de Tweede Wereldoorlog liet ook de BJB niet onberoerd. Sedert 1949 onderhielden de christelijke bewegingen van landelijke jongeren regelmatige contacten met elkaar. Uit deze contacten ontstond in 1954 de Mouvement International de la Jeunesse Agricole en Rurale Catholique (MIJARC).
MIJARC had een viervoudige doelstelling

  1. de samenwerking tussen de landelijke jeugdbewegingen bevorderen;
  2. helpen om de plattelandssamenleving over de gehele wereld naar christelijke beginselen op te bouwen;
  3. de aangesloten bewegingen helpen bij de vorming en opvoeding van hun leden:
  4. de boeren- en landelijke jeugd in de openbare opinie en bij internationale instellingen vertegenwoordigen.
    Rond 1965 overkoepelde MIJARC zo’n vijfenzestig aangesloten bewegingen. De speciale band tussen BJB en MIJARC werd nog geïllustreerd door de vestiging van het algemeen secretariaat van MIJARC in de BJB-centrale op de Diestsevest te Leuven en de financiële en logistieke steun die dit secretariaat genoot vanwege de BJB en de BB.

Vanaf 1956 begon de BJB ook aan de voorbereiding van een solidariteitswerking ten voordele van Kongo en Rwanda. De Kongo-commissie verenigde de nationale leidingen van de BJB-jongens en –meisjes rond het probleem van ontwikkelingshulp. Een speciale impuls ging hierbij uit van MIJARC die, om aan haar doel te beantwoorden, een solidariteitsactie uitbouwde. Bij de nationale bewegingen werden hiertoe subcommissies opgericht.
Gekozen werd voor de formule van het voluntariaat (de ‘lekehelp(st)ers) dat moest zorgen voor opleiding van jonge boeren in Kongo en Rwanda via het opzetten en begeleiden van een Jeunesse Agricole Catholique (J.A.C.). De eerste twee vrijwillegsters gingen in 1960 en 1961 aan de slag. De eerste jongens vertrokken einde 1962. In totaal werden zo’n achtendertig vrijwilligers uitgezonden.
Al vlug werd de noodzaak ingezien om op de werking voor de Afrikaanse jongeren ook een volwassenenwerking te laten volgen. Daarom, en ook omwillen van voordelen op financieel en fiscaal vlak, werd in 1964 deze werking opgevolgd door Ieder voor Allen (IVA).
Andere aspecten

Kadervorming
De zorg voor de permanente vorming van de bestuursleden was één van de kenmerken van de werking uit die periode. Zowel bij de jongens als de meisjes werd een Dienst Kadervorming opgezet. Hierdoor konden de bestuurs op alle werkingsniveaus over aangepaste kaderactiviteiten beschikken. De leidingsbladen BJB-gids (jongens) en Leiding (meisjes). Zorgden voor een permanente informatie

Beroepsopleiding
Ook de beroepsopleiding voor de BJB-jongens werd verder uitgebouwd. De BJB organiseerde naschools land- en tuinbouwonderwijs op plaatselijk en gewestelijk vlak. Ook het beroepsonderwijs voor de leden-soldaten werd gestimuleerd.
Hieruit ontstonden de cursussen per briefwisseling die vanaf 1964 tot 1973 werden georganiseerd. In diezelfde periode onstonden de cursussen Levenskunst in land- en tuinbouw, cursussen algemene boerencultuur.
In 1954 werd gestart met het wedstrijdploegen en gymkana’s. Diverse prijskampen werden georganiseerd. Ook bleef er een proefveldwerking bestaan.
Daarnaast zorgde de BJB ook voor voorlichting betreffende de mogelijkheden inzake landbouwkolonisatie in Kongo.

De huishoudelijke opleiding
Inzake beroepsopleiding voor de meisjes stelde de Boerinnenjeugdbond als prioriteit ‘de opleiding tot huismoeder,d.w.z. huisvrouw en moeder’. Immers het gezin is de kern van de samenleving. En ‘wie maakt het gezinsleven aangenaam, schoon, gelukkig en vooral christelijk? Het is voor een groot deel de huismoeder’.
Aanvullend moest het meisje noties hebben van landbouwtechnieken vermits in de landbouw bedrijf en gezin nauw met elkaar verbonden zijn.
Om aan die twee noden te voorzien beschikte de BJB in nauwe samenwerking met de Boerinnenbond, over een gamma activiteiten. De BJB steunde de landbouwhuishoudscholen. Er werden lessenreeksen ingericht over huishoudkunde of veeteelt. Bekend was ook de honderd-uren-leergang over huishoudkunde en landbouw.

Verloofdencursussen
De Boerinnenjeugdbond begon in 1943 met de cursus Schoon Boerenleven, een cursus voor verloofde BJB-meisjes die binnen het jaar zouden huwen. Na de oorlog werden deze cursussen verder uitgebouwd tot er in iedere provincie ten minste één cursus per jaar werd ingericht. Ook bij de BJB-jongens werd na de oorlog begonnen met lessenreeksen ter voorbereiding van het huwelijksleven. De cursussen waren niet gemengd. Jeanne Cardijn verklaarde in dit verband: “Daar de aard van jongens en meisjes volledig verschillend is, moeten er ook aparte verloofdencursussen ingericht worden. Het zou een verarming betekenen van het mens zijn, wanneer de aard van beide geslachten gelijkgesteld zou worden.”
Vanaf het werkjaar 1962-1963 werden de cursussen gedeeltelijk gemengd gemaakt. Pas in de volgende periode (na 1965) werden ze volledig gemengd.

Katholische Landjugend in de Oostkantons
In de dekenaten van de Oostkantons waren de parochiepriesters na de Tweede Wereldoorlog afzonderlijk met jeugdwerk begonnen. In 1954 beslisten de Duitstalige jeugdproosten hun inspanningen te bundelen. Ze kregen vanwege Mgr. Kerkhofs van Luik de toestemming om aan te sluiten bij de BJB te Leuven. Hierdoor konden een leider en een leidster vrijgesteld worden om vanaf 1955 de KLJ in de Oostkantons te organiseren. Belangrijk is nog de benaming. Wegens de geringe grootte van de dorpen ( en dus ook het kleine aantal boeren per dorp) en de te grote afstanden tussen de dorpen was het niet mogelijk een louter standsgebonden organisatie op te starten. Daarom werd verkozen een beweging te beginnen die zou recruteren uit het landelijk milieu. Vandaar verkoos men in de plaats van BJB de naam Katholische Landjugend. Later zou hieruit ook een ‘Grüner Kreiss’ werking uit ontstaan.


In onze volgende editie blikken we terug op de periode 1965-1975. Een periode waarin voor het eerst de naam Groene Kring opduikt, voor het eerst de Groene Krant verschijnt en waarin voor het eerst de gewestwerking, zoals we ze nu kennen, ontstond.


 De taken van een bestuurslid begin jaren veertig...

Soms hoor je wel eens klagen: “Als een bestuurslid van Groene Kring moet je voor alles en nog wat opdrijven. Zo’n engagement brengt toch wel veel werk met zich mee.”
Als troost willen we je de taakstelling van een bestuurslid weergeven, zoals we die terugvinden in een tekst van BJB-studiedagen uit 1942.

Elk Bestuurslid staat :

  1. In dienst van de Kerk als gemandateerde leider in de Katholieke Actie.
  2. In dienst van de parochie als rechter-arm van de parochie-geestelijkheid
  3. In dienst van de BJB als vertrouwensman en leider der organisatie. Om z’n taak behoorlijk te kunnen vervullen, worden van elk bestuurslid vereischt:
    • De noodige vakkennis om met gezag te kunnen spreken tot z’n makkers. Niemand leet aan anderen wat hij zelf niet kent.
    • Algemeene ontwikkeling. Hoe hooger het bestuurslid staat hoe meer invloed hij zal hebben.
    • Gezond verstand om te oordeelen over de omstandigheden en beslissingen te helpen treffen.
    • Menschenkennis die noodig is om anderen te leiden en niet allen over denzelfden kam te scheren.
    • Diepe godsdienstzin met een echt godsdienstig leven, die de grondslag zijn van elk waar apostolaat.
    • Een hoogstand zedelijk leven. Elk bestuurslid moet een voorbeeld zijn voor z’n makkers.
    • Een groote geest van offervaardigheid aangevuurd door een groote naastenliefde.